Home
›
Deskundig advies voor de gezondheid en het welzijn van je paard
›
Wat is PPID (Cushing) en hoe herken en ondersteun ik mijn paard dat het heeft?
Wat is PPID (Cushing) en hoe herken en ondersteun ik mijn paard dat het heeft?
(Pituitary Pars Intermedia Dysfunction), ook wel Cushing bij paarden genoemd, is een aandoening van de hypofyse in de hersenen waarbij de hormoonregulatie verstoord raakt.
In de hersenen zitten zenuwcellen die dopamine produceren. Bij paarden met PPID raken deze cellen beschadigd. Normaal remt dopamine de hypofyse, een kleine klier die hormonen reguleert. Wanneer die remming wegvalt, produceert de hypofyse te veel hormonen, waaronder adrenocorticotroop hormoon of ACTH.
ACTH stimuleert de bijnieren om cortisol aan te maken. Bij paarden met PPID gebeurt dit te veel en te vaak. Het gevolg is een voortdurend verhoogd cortisolgehalte in het lichaam. Dit beïnvloedt de stofwisseling, spieropbouw, vetverdeling, haargroei en de werking van insuline.
Je dierenarts kan PPID bevestigen met een bloedtest die de ACTH-waarden meet.
Hoewel oudere paarden een hoger risico op PPID hebben, kunnen ook jongere paarden ermee te maken krijgen. Ongeveer 1 op de 5 paarden ouder dan 15 jaar en 1 op de 4 paarden ouder dan 20 jaar vertonen tekenen van PPID (Galinelli et al., 2021).
Wat is de rol van voeding bij het ondersteunen van PPID-symptomen?
Een recente studie van Galinelli et al. (2021) benadrukt het belang van aangepaste voeding bij paarden met Pituitary Pars Intermedia Dysfunction, oftewel PPID. Hoewel PPID meestal wordt behandeld met het geneesmiddel pergolide, wordt voeding inmiddels ook erkend als een cruciale factor bij het beheersen van klinische symptomen, het verlagen van het risico op hoefbevangenheid en het behouden van een goede levenskwaliteit.
Bij het opstellen van een voedingsplan is het belangrijk om rekening te houden met de volgende factoren:
- Beoordeling van de lichaamsconditie en spiermassa. Op basis daarvan kan de juiste hoeveelheid energie, koolhydraten en eiwitten worden bepaald.
- Beoordeling van insulinedisregulatie (ID)
- Aanpassingen op basis van leeftijd en activiteitsniveau
Wat zijn de belangrijkste symptomen van PPID?
De symptomen van PPID kunnen sterk verschillen van paard tot paard en veranderen naarmate de ziekte vordert. In de beginfase zijn de signalen vaak subtiel, maar na verloop van tijd worden ze zichtbaarder en kunnen er meer symptomen optreden.
Let op de volgende signalen, die kunnen wijzen op PPID:
- Hoefbevangenheid: vaak bij paarden met een verstoorde insulinewerking (insulinedisregulatie)
- Hypertrichose: een lange en krullende vacht
- Hirsutisme: moeite met verharen in het voorjaar
- Gewichtsverlies en spierafbraak
- Abnormale vetverdeling: vetophoping boven de ogen, een hangbuik en soms vet op de halskam
- Lethargie en depressie: door verlies van dopamineproducerende zenuwcellen en verhoogde cortisolwaarden
- Polyurie en polydipsie: veel drinken en plassen
- Gevoeliger voor infecties
Niet elk paard vertoont alle symptomen tegelijk. In de beginfase vallen vaak subtiele veranderingen in de vacht of lichte lethargie op. Regelmatige observatie is belangrijk om veranderingen op tijd te signaleren.
Herken je bepaalde symptomen en vermoed je dat je paard PPID heeft, maak dan altijd een afspraak met je dierenarts.
Wat is het verband tussen PPID en insulinedisregulatie?
Normaal zorgt insuline (een hormoon) ervoor dat suiker uit het bloed de cellen binnengaat, zodat die het als energie kunnen gebruiken. Bij insulinedisregulatie reageren de cellen niet meer goed op insuline, waardoor suiker (glucose) te lang in het bloed blijft. De alvleesklier merkt de hoge bloedsuiker op en denkt “er is niet genoeg insuline”, waardoor die nog meer produceert.
Bij paarden met PPID maken de hersenen te veel van het hormoon ACTH aan. ACTH zorgt ervoor dat de bijnieren cortisol produceren. Normaal stopt dit proces zodra er genoeg cortisol in het bloed zit, maar bij PPID werkt deze rem niet meer. De toename van cortisol maakt de cellen ook minder gevoelig voor insuline.
Daarom ontwikkelt één op de drie paarden met PPID vaak insulinedisregulatie en zijn ze gevoeliger voor hoefbevangenheid.
Hoe wordt PPID behandeld?
PPID is een chronische aandoening die niet te genezen is, maar de symptomen kunnen worden beheerst met het geneesmiddel pergolide. Deze medicatie is een dopamine-receptoragonist die de productie van ACTH verlaagt. Daardoor daalt ook de cortisolproductie en kan de ernst van de symptomen afnemen.
Naast medicatie spelen voeding en regelmatige evaluatie een minstens even belangrijke rol bij de aanpak van PPID.
Samen met je dierenarts kun je deze stappen doorlopen om een volledig voedingsplan op te stellen dat aansluit bij de specifieke behoeften van je paard:
- Stap 1 Bepaal de huidige en gewenste lichaamsconditie: PPID gaat zowel samen met overgewicht als ondergewicht.
Overgewicht: Verhoogde insulinewaarden stimuleren vetopslag, vooral in de halskam, rond de staartaanzet en boven de ogen.
Ondergewicht: In latere stadia van PPID kunnen hoge cortisolwaarden spierverlies en uitputting van de vetreserves veroorzaken.
- Stap 2 Bepaal de aanwezigheid en ernst van insulinedisregulatie: De ernst wordt vastgesteld met insuline- en glucosemetingen in het bloed. Deze test wordt uitgevoerd door je dierenarts.
- Stap 3 Leeftijd: Oudere paarden hebben vaak last van gebitsproblemen en artrose. Heeft je paard gebitsproblemen, dan geef je idealiter geweekte pulp of hooibrok. Heeft je paard artrose, geef hooi dan op grondniveau in plaats van in hooinetten om belasting van de nek te voorkomen.
- Stap 4 Activiteitsniveau: Te veel energie, vooral uit suiker of zetmeel, verhoogt het risico op insulinedisregulatie en hoefbevangenheid. Paarden die weinig bewegen verbranden minder energie, waardoor suiker en vet zich sneller ophopen. Wanneer een paard regelmatig beweegt, gebruiken de spieren meer glucose als energiebron. Daardoor dalen de suiker- en insulinewaarden in het bloed.
Figuur 1 geeft een overzicht voor het beoordelen en begeleiden van paarden, pony’s en ezels met PPID. Het schema helpt om voedings- en managementkeuzes af te stemmen op de lichaamsconditie (BCS) en de aanwezigheid van insulinedisregulatie (ID).
Conclusie
Een goed voedingsplan voor paarden met PPID vraagt om een individuele aanpak. Lichaamsconditie, insulinegevoeligheid en leeftijd moeten altijd worden beoordeeld. In combinatie met medische behandeling en regelmatige opvolging door je dierenarts helpt dit om de levenskwaliteit van je paard met PPID te ondersteunen.
Lees onze volgende blog over hoe je het dieet van je paard stap voor stap aanpast op basis van gewicht, leeftijd en insulinegevoeligheid. Je krijgt praktische richtlijnen en voorbeelden voor paarden met overgewicht, ondergewicht en/of insulinedisregulatie.
Delen
